|
Wie doet (er) wat? Armoedebestrijding in 2005:
| 'Hoe
redden wij ons? Een voedselbank hebben we hier niet in
de buurt. Dus vragen wij onze kinderen om de gekorte huursubsidie
(200 euro) aan het gezinsbudget af te dragen, en natuurlijk
wat kostgeld, ook 200 euro. Dat gaat natuurlijk niet van
harte, want hun collega's hoeven thuis helemaal niks af
te dragen. Die kunnen sparen voor een huis als ze zouden
willen, of lekker op vakantie of uitgaan.'
(Bijdrage op een weblog) |
|
Het armoedevraagstuk lijkt in Nederland
bezig met een opmerkelijke terugkeer. Van oudsher vraagt 'het
establishment' zich af wat zij aan moet met armen, randgroepen,
gedepriveerden of inactieven, die een bedreiging zouden vormen
voor de sociale hygiëne, beschaving, maatschappelijke orde,
sociale veiligheid. Ook vakbewegingen en zelforganisaties
stelden deze bedreigingen vanuit een eigen gezichtspunt aan
de orde. Deze dubbele benadering, 'top down' (disciplinering)
en 'bottom up' (emancipatie), resulteerde in het compromis
van de verzorgingsstaat. Dat het geen eenduidig compromis
betrof, bleek wel uit steeds opnieuw opduikende discussies
als: 'Is er nog armoede in Nederland; wanneer is sprake van
armoede; wie zijn die armen; waar zitten ze?'.
Het armoedevraagstuk lijkt in Nederland bezig met een opmerkelijke
terugkeer. Van oudsher vraagt 'het establishment' zich af
wat zij aan moet met armen, randgroepen, gedepriveerden of
inactieven, die een bedreiging zouden vormen voor de sociale
hygiëne, beschaving, maatschappelijke orde, sociale veiligheid.
Ook vakbewegingen en zelforganisaties stelden deze bedreigingen
vanuit een eigen gezichtspunt aan de orde. Deze dubbele benadering,
'top down' (disciplinering) en 'bottom up' (emancipatie),
resulteerde in het compromis van de verzorgingsstaat. Dat
het geen eenduidig compromis betrof, bleek wel uit steeds
opnieuw opduikende discussies als: 'Is er nog armoede in Nederland;
wanneer is sprake van armoede; wie zijn die armen; waar zitten
ze?'. De economische conjunctuur en de politieke ontwikkelingen
van de laatste paar jaar hebben tot een nieuwe consensus geleid:
armoede in Nederland is als thema terug van weggeweest. Niet
alleen in de zin van ongelijkheid of achterstand, maar ook
in de zin van 'broodnood'. Grote groepen zakken onder het
hedendaagse bestaansminimum. Onlangs konden we zelfs uit Amerikaanse
berichtgeving vernemen (USA Today, 21-8-'05) dat er in Nederland
duizenden gezinnen overleven met 'handouts' (voedselbanken),
waarbij expliciet ook melding werd gemaakt van de provincie
Noord-Brabant.
Met het armoedevraagstuk zitten we
midden in 'de sociale kwestie'. Er worden verbanden gelegd
met thema's als gezondheidszorg, huisvesting, onderwijs, mantelzorg,
vrijwilligerswerk, kinderopvang, maatschappelijke opvang,
ouderen, jongeren, vrouwen, allochtonen, daklozen. Ook wordt
een verband gelegd met de 'economische pijler' (werkgelegenheid,
werkloosheid, koopkrachtontwikkelingen). Ga daar maar aan
staan met je goede bedoelingen. Ook hier is de consensus helder:
armoede wordt algemeen gezien als onwenselijk en dient te
worden tegengegaan. 'So what?' komen we slechts sporadisch
tegen in ingezonden brieven of op weblogs.
'De maatschappij, dat ben jij'
Hoewel nog wat stilletjes, staat het
armoedevraagstuk in de alledaagse werkelijkheid dus weer prominent
op de maatschappelijke agenda. Daarbij is er wel een accentverschuiving
te zien. De aandacht is verschoven van de vraag: wat is de
(individuele of maatschappelijke) diagnose en wat is de (beleidsmatige
en uitvoerende) remedie, naar de vraag: wie neemt de uitvoering
van de remedie op zich, wie neemt de verantwoordelijkheid
voor armoedebestrijding? De rijksoverheid, de lokale overheid,
het maatschappelijke middenveld, de betrokkenen zelf?
De beeldvorming over de oorzaken en
achtergronden van armoede blijft evenwel van invloed op de
opvattingen over een mogelijke remedie. De vraag naar het
waarom van armoede wordt traditioneel beantwoord door grofweg
drie zienswijzen. De eerste zienswijze, die stelt dat werkloosheid
en armoede een voorwaarde vormen voor het voortbestaan van
de kapitalistische samenleving, komen we nauwelijks nog tegen.
Een andere visie stelt dat armoede voortkomt uit een tekort
aan maatschappelijke hulpbronnen, waarbij vooral gedacht wordt
aan onderwijs en cultuur. Een derde opvatting schuift nog
meer op naar de betrokkenen zelf en verklaart armoede uit
onvermogen of onwil om te voldoen aan het moderne burgerschapsideaal
van zelfredzaamheid en participatie.
Men zou kunnen zeggen dat de spanning
tussen deze twee laatste visies is terug te vinden in het
welzijnswerk, dat probeert de relatie tussen individu en samenleving
in stand te houden en een middenweg te vinden tussen dwang
en 'pamperen'. Armoede en sociale uitsluiting treffen dan
mensen die niet zelfredzaam zijn, omdat zij niet kunnen beschikken
over maatschappelijke hulpbronnen, over economisch, sociaal
en cultureel kapitaal. De kans om zelfredzaam te worden is
afhankelijk van de netwerken waarin men zich bevindt: de moderne
zelfredzame burger is een burger die goed kan netwerken.
Netwerk, netwerk en nog eens
netwerk?
Hebben we daarmee de ultieme oplossing
in handen? Rond armoede hebben zich landelijke, provinciale
en lokale netwerken gevormd van professionals en zelforganisaties.
Ook in meer algemene zin worden door het lokale welzijnswerk
de voorwaarden geschapen waardoor ook minima en kwetsbaren
kunnen 'ontmoeten, ontplooien en ontspannen'. Waar dat gebeurt,
staat de meerwaarde ervan buiten kijf.
Toch kunnen welzijnswerk en maatschappelijk
middenveld daarmee niet automatisch als de laatst verantwoordelijken
worden aangewezen om kwetsbare burgers om te vormen tot zelfredzame
burgers. Een dergelijke pretentie kan alleen leiden tot teleurgestelde
en overspannen vrijwilligers en mantelzorgers. De wereld wordt
nu eenmaal niet bestierd door alléén sociaal en cultureel
kapitaal. Juist de rol van de 'economische pijler' wordt steeds
omvattender. Hoe meer 'markt', des te groter de rol van 'het
geld' om zelfstandig te kunnen (blijven) participeren. Hoe
meer herstructurering van arbeidsmarkt en collectieve sector,
des te groter de belasting van het maatschappelijk middenveld.
Hoe groter de rol van 'Europa', des te lastiger om armoede
tegen te gaan door het faciliteren van netwerken op de schaal
van gemeenten, wijken en buurten. Daadwerkelijke bevordering
van sociale cohesie en bestrijding van armoede en sociale
uitsluiting kunnen alleen vorm krijgen door het versterken
en verbinden van het culturele, sociale én het economisch
kapitaal van mensen. Alleen 'de politiek' kan hierover bindende
(verdelings)beslissingen nemen. Alleen op basis daarvan kunnen
welzijnswerk en maatschappelijke middenveld dan voorwaarden
scheppen voor duurzame en realistische integratie, participatie
en sociale cohesie.
William Peters
|